Standpunten
De KVAB publiceert jaarlijks gemiddeld een vijftal Standpunten met de steun van een aantal Academieleden, aangevuld met specialisten ter zake. Zowel Klassenstandpunten (gesteund door de Klasse) als Academiestandpunten (gesteund door de Klasse en door de Bestuurscommissie) kunnen worden gepubliceerd. Sommige Standpunten hebben één lid van de Academie als auteur, maar de Standpunten worden steeds gedragen door ofwel een Klasse ofwel de hele Academie. Recente thema's waren de hervorming van de kieskantons, de maatschappelijke rol van de geschiedenis, industriële biomassa en wetenschapscommunicatie. De vroeger CAWET-rapporten zijn opgenomen in de reeks Standpunten.
Klasse Natuurwetenschappen
Klasse Menswetenschappen
Klasse Kunsten
Klasse Technische Wetenschappen
De interesse in wetenschap bij de bevolking ligt relatief hoog, zo blijkt uit onderzoek. Bijna alle wetenschappers vinden het hun verantwoordelijkheid of plicht om te communiceren naar een lekenpubliek. Anderzijds blijkt geïnformeerd worden een nood die niet optimaal wordt ingevuld en zelfs dat de gemiddelde persoon zijn kennis over Wetenschap en Techniek (W&T) vaak beperkt is. Instellingen die wetenschappelijke rapporten publiceren zijn bij uitstek de bron van wetenschappelijk duiding, maar kampen met de problematiek weinig impact te hebben op de samenleving. Ze kunnen hun communicatiemodel verleggen van eenrichtingstransmissie naar het upstream engagement-model. De pers is een klassieke bondgenoot in het verspreiden van informatie, maar ook zij beantwoordt niet aan het upstream engagement-model.
- Aanbevelingen voor instellingen die rapporten maken:
- Afstappen van de idee dat het rapport zowel de communicatievector als de eigenlijke inhoud is
- Gebruik maken van verschillende communicatiestrategieën:
- Lekentekst/perstekst, differentiatie van doelpublieken
- Symposium, best met alle stakeholders
- Aanbevelingen voor de Vlaamse overheid (EWI):
- Structurele en langdurige ondersteuning van wetenschapscommunicatie
- Verbeterde databases
- Aanbevelingen voor het middelbaar onderwijs:
- De attitudes van jongeren ivm. hun loopbaan zijn veranderd: op school moet de gedachte heersen dat een wetenschappelijke carrière beter bij deze attitude past dan een andere carrière, en dat dit niet wil zeggen dat men zich dan begraaft in een 'saaie' omgeving.
- Aanbevelingen voor het hoger onderwijs:
- 'Lekenpraatje'
- Interdisciplinaire opleiding wetenschapscommunicatie
- Wetenschapscommunicatie-index naast citatie-indices als motor voor betere communicatie.

Waarom kunnen de Vlaamse media niet wat de Nederlandse kranten al sinds jaren realiseren: de verkiezingsuitslagen van het nationale/federale parlement tot op het gemeentelijk niveau “mede-delen” en analyseren? En zo het kiesgedrag verder nauwkeurig opsplitsen, bijvoorbeeld tussen de stedelijke en meer plattelandsdelen. Of zelfs intern in de grote steden zoals in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.
De Franstalige media in België kunnen dit evenmin, want de reden ligt in de Belgische verkiezingsorganisatie zelf, bij de compleet verouderde kantonindeling die het officiële België nog altijd hanteert voor de publicatie van de verkiezingsstatistiek op parlementsvlak. (Voor sprekende voorbeelden zie bijgaand Standpunt van de KVAB.)
De kantonindeling bij de Belgische parlementsverkiezingen stamt uit de 19de eeuw, toen 1 à 2 % van de Belgische bevolking de “natie” vormde. Maar vanaf 1893 groeit het aantal kiesgerechtigden meer en meer tot in de miljoenen. Uit routine echter (of komt er ook gemakzucht bij te pas ?) blijft men al die tijd, tot op vandaag, bij de oude kantonindeling die in principe meerdere gemeenten omvat “om het geheim van de stemming te vrijwaren”. Die dan ook nog op bepaalde plaatsen gepolitiseerd én zelfs gecommunautariseerd werd zoals in Brussel en Vlaams Brabant, waar bijvoorbeeld het kieskanton Schaarbeek zich uitstrekte tot Nossegem en Steenokkerzeel. Maar toen de zuivere splitsing van BHV in 1989 werd doorgevoerd voor de rechtstreekse verkiezing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad , en herhaald in 1994,1999, 2004, 2009 viel ook dat argument weg. Want ook die kantons werden ‘proper’ gesplitst.
En toch blijft men bij de oude, ongeordende, zo niet willekeurige indeling van het grondgebied in kieskantons...
Om wetenschappelijke en democratische redenen dient de Koninklijke Vlaamse Academie van België bij het federale parlement het verzoek in om onverwijld het kieskanton als teleenheid bij de parlementsverkiezingen te vervangen door de gemeenten, die daardoor opgetild én geïnstrumentaliseerd worden tot dé statistische eenheid bij verkiezingen. Vergelijkingen met gemeenteraadsverkiezingen worden hierdoor duidelijk meer zuiver gemaakt.
Ook voor de media zou de vervanging van een verouderd informatiesysteem door de gemeente als hedendaagse eenheid veel voordeel opleveren: preciezere informatie om dieper in de politieke werkelijkheid door te dringen.

Inzichten uit de biotechnologie kunnen enerzijds zorgen voor een verbeterde inschakeling van huidige landbouwproducten én hun restproducten in de 5-F cascade en kunnen anderzijds leiden tot nieuwe technologieën om allerlei scheikundige stoffen te produceren onafhankelijk van onze huidige oliegebaseerde economie. Dit rapport introduceert hiervoor het begrip 'de bioraffinaderij'.
De industriële biotechnologie is in volle ontwikkeling. Wetenschappelijke en technische onderbouwde kennis moeten er voor zorgen dat deze (snelle) ontwikkeling en transitie van een petrochemische maatschappij, naar een bio-gebaseerde, gebeurt op een verantwoorde en duurzame manier, met oog voor socio-culturele en ecologische aspecten verbonden aan het gebruik van biomassa.
Maar het staat nu al vast dat biomassa in al zijn verscheidenheid, één van de belangrijkste grondstoffen zal worden van de bio-gebaseerde maatschappij.

Historische debatten organiseren is een voor VIGES weggelegde taak. Er zijn heden ten dage nog weinig fora waarop historici met elkaar kunnen discussiëren over maatschappelijke onderwerpen. Er werd gestart met een voor de hand liggend thema: de maatschappelijke rol van de geschiedenis. In welke mate zijn de historici vandaag maatschappelijk betrokken via hun geschriften, hun deelname aan het publieke debat, hun band met het betrokken veld en via hun soms conflictueuze relaties met de overheid? Op het debat op 5 februari 2010 kwamen de volgende sprekers aan het woord:
- Els Witte — De maatschappelijke rol Van de historicus. Hoe gingen onze voorgangers met de problematiek om? De resultaten van een recent verschenen studie over de Belgische naoorlogse periode (1944—1956).
- Gita Deneckere — De habitus van de hedendaagse historicus en de eigentijdse geschiedenis van erfgoed, geheugen en historische commissies: wereldvreemd in eigen land?
- Jo Tollebeek — De samenleving in opspraak. Opmerkingen over de maatschappelijkebe trokkenheid van de historicus.
- Bruno De Wever — De maatschappelijke rol van de historicus. Casus Vlaamse Beweging.
- Rudi Van Doorslaer — De maatschappelijke rol van de historicus en de Tweede Wereldoorlog
- Pieter Lagrou — De maatschappelijke rol van de historicus: de casus van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog
- Dirk Luyten — Emancipatiebewegingen: arbeidersgeschiedenis.
- Werner Goegebeur en Karel Van Nieuwenhuyse — De socialiserende rol van de historische vorming in het secundair onderwijs: actuele spanningen.
- Walter Prevenier — Verslag van het debat over de maatschappelijke rol van de historicus

Grootschalige compostering achterhaald?
Het BACAS-rapport "Municipal Solid Waste: What to do with the biodegradables?" is een tijd geleden verschenen en biedt een overzicht in de mogelijkheden voor huishoudelijke afvalverwerking in een Europees kader. De volgende afvalverwerkingsmethodes worden besproken: Hoge- temperatuursmethodes zoals verbranding, gasificatie en pyrrolyse (carbonisatie en bio-olie-opwekking), plasmaprocessen (nog in onderzoeksfase), en lage-temperatuursmethodes (maken gebruik van biologische processen) zoals compostering (=aërobe verwerking) en anaërobe verwerking (biogas/methaanopwekking). Dit zijn allemaal afbraakprocessen en stoten CO
2 uit (zij het over verschillende tijdsschalen).
Conclusie van het rapport is dat grootschalige compostering niet meer efficiënt is om de volgende redenen:
- de logistieke kosten van aparte ophaling en aparte opslag
- weinig controle over juiste sortering aan de bron
- geen energie-recuperatie
- er lijkt niet echt een markt voor compost te bestaan
In wat wij als restafval beschouwen zit nog steeds een aanzienlijke fractie biodegradeerbaar afval. Zo kan in principe vlees gebiomethaniseerd worden, maar dat levert wel een sterke geurhinder op. De op dit ogenblik meest waardevolle alternatieven zijn volledige verbranding van alle huishoudelijke afval of een scheiding in een "natte" biodegradeerbare fractie (voor biomethanisatie) en een droge fractie (voor verbranding). Verbranding vergt geen aparte ophaling, geeft minimale hoeveelheden afval, minerale residuen en metalen kunnen gerecupereerd worden, en kan electriciteit opwekken. Mits een strikte regulering is de milieu-impact relatief klein. Biomethanisering kan met bioproducten van diverse oorsprong en heeft een behoorlijke energierecuperatie (via methaan, wel minder dan bij verbranding)
Er moet nog steeds prioriteit gesteld worden aan afvalvermijding door sensibilisering en compostering best op een kleinschalig (wijk)niveau, en niet op gemeentelijk of hoger. Niet alle biodegradeerbaar afval is composteerbaar, het rapport gaat in op wat compostering
niet kan en op goede composteringsmethodes.

Een filosofische visie over terrorisme door prof. Maurice Weyembergh.

Het gebruik van fossiele brandstoffen, en dan met name in de industrie, is diep ingebed in onze westerse levensstijl. Het IPCC (International Panel on Climate Change) waarschuwt dat de emissie van CO2 (een broeikasgas) in de atmosfeer tot een verdere toename van de temperatuur zal leiden. Koolstofneutrale technologieën kunnen een deel van de CO2 emissies opvangen, maar praktisch gezien zal het moeilijk zijn om het gebruik van fossiele brandstoffen in de nabije tot middellange toekomst te vermijden.
Een beloftevolle oplossing is CO2 capture and storage (CCS), wiens bedoeling het is om CO2 ondergronds op te slaan, waardoor onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen behouden blijft maar zodat we hetzelfde peil van levensstandaard toch kunnen behouden. België heeft de 4e meest CO2-intense industrie van Europa, denken we maar aan cokesovens in de metaal- en cementindustrie en in thermische centrales, wat ons land geschikt maakt voor CCS. De mogelijkheid van ondergrondse stockage bestaat in België, maar er wordt gevreesd dat de capaciteit niet voldoende is om alle industriële CO2-bronnen over een voldoende lange periode te kunnen opslaan.
Maar dit mag er niet toe leiden dat België een internationale rol hierin aan zich laat voorbijgaan: het zal later immers meer kosten om specialisten in dit domein vanuit de ons omringende landen te importeren. Bovendien kan België een rol van distributiehub opnemen, een strategie die ook Nederland aan het exploreren is. Dit rapport wil leiden tot duidelijke energiepolitiek waarin naast volledig duurzame technologieën ook CCS wordt overwogen.

In de geïndustrialiseerde landen neemt ‘residentieel wonen en gelijkgesteld” tot 40% van het totale jaarlijkse eindenergieverbruik voor zijn rekening. In koude en koele klimaten gaat het grootste deel daarvan naar verwarming, al neemt procentueel het belang van warm tapwater, verlichting, functie en koeling toe naarmate door energetisch beter bouwen het aandeel verwarming daalt. Bij gebouwen zijn door een gericht ontwerp – compactheid, verstandig gebruik van glas, uitstekende isolatie, goede luchtdichtheid – belangrijke besparingen op verwarming mogelijk zonder de gebruikswaarde aan te tasten. Sinds 1973 is het energetisch beter bouwen geëvolueerd van “geïsoleerd” over “energiezuinig” naar “lage-energiegebouwen” en recenter “passief-“, “nulenergie-“ en “plus - energiegebouwen”. In beide laatste gevallen produceert een gebouw jaargemiddeld evenveel of meer energie - doorgaans via fotovoltaïsche cellen - dan het verbruikt. Toepassing op grote schaal van beide concepten zal wel een grondige omvorming vragen van het elektriciteitsnet (bouwen van “slimme” (“smart grids”) verdeelnetten). Bovendien zijn, in tegenstelling tot lage-energiewoningen, zowel passiefgebouwen als nulenergie- en plusenergiegebouwen economisch niet optimaal.
Europa wil tegen 2020 20% minder energieverbruik dan bij business as usual, 20% minder broeikasgasuitstoot dan in 1990 en 20% duurzame energieproductie. Zelfs al zou men vanaf 2009 aan alle nieuwbouw eisen van het niveau “passiefbouw” stellen, dan nog is 20% minder verbruik in de gebouwde omgeving tegen 2020 niet haalbaar. Trouwens, de extreem strenge eisen voor verwarming bij passiefbouw hebben als neveneffect dat warm tapwater, verlichting en functie de grootste verbruikers worden, meestal onder de vorm van elektriciteit, wat zwaar doorweegt op het primaire energieverbruik ( 2,5). En bij die drie laatste verbruiken ligt besparen een stuk moeilijker. De enige uitweg, naast eisen aan nieuwbouw en vervangingsbouw in de buurt van het economische optimum (E60, K30), bestaat erin, de volgende 11 jaar, met alle middelen energie-efficiënte vernieuwbouw, verlichting en toestellen te stimuleren.

Dit rapport betreffende de toestand van de Belgische onderzoekswereld in de Europese context, is ontstaan op initiatief van BACAS, de Belgian Royal Academy Council for Applied Science. De bedoeling ervan is ideeën aan te reiken met betrekking tot het beleid inzake wetenschap en onderzoek naar aanleiding van het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie in 2010.
Het rapport is tegelijk gebaseerd op een kwantitatieve evaluatie van het onderzoek in België vanuit internationale statistische gegevens, en op een kwalitatieve analyse van de antwoorden op een vragenlijst die werd rondgestuurd naar zowel openbare als privé personen en instellingen betrokken bij de planning, het management en/of de uitvoering van onderzoek in België.
Verschillende prestatie-indicatoren tonen aan dat het Belgische R&D-systeem binnen de Europese context een eerbare plaats inneemt, zowel in termen van uitgaven in procent van het BBP, als van aantal onderzoekers en doctors per 1.000 werknemers, wetenschappelijke publicaties, patentaanvragen, innovaties in de brede zin en deelname aan Europese onderzoeksprogramma's. Negatief is de afnemende groei van de financiering van het onderzoek, een evolutie die reeds van voor de huidige economische crisis wordt vastgesteld.

Niettegenstaande de jaarlijkse neerslaghoeveelheden constant blijven treedt er op verschillende plaatsen in Vlaanderen "verdroging" op, d.i. het onvoldoende aangevuld worden van de grondwaterreserves. Niettegenstaande de hoeveelheden opgepompt grondwater voor drinkwaterproductie (ongeveer 2/3) en voor landbouw en industrie (1/3) de laatste jaren nagenoeg constant blijven, houdt de dalende trend van het grondwaterpeil in een aantal watervoerende lagen niet op.
De oorzaken van de verdroging zijn niet alleen het relatief grote verbruik (50 % van het in Vlaanderen geproduceerde drinkwater is grondwater) maar, vreemd genoeg misschien, ook dezelfde oorzaken die aanleiding geven tot een toegenomen overstromingsgevaar: we wonen en leven immers in een dicht bebouwd land. Tussen 1990 en 2000 nam de verharde oppervlakte in Vlaanderen met 24% toe! De toename van de verharde oppervlakte en de snelle afstroming van het regenwater in greppels, riolen en rechtgetrokken beken en rivieren vermindert de infiltratie van regenwater.
Studies tonen aan dat de mogelijke klimaatveranderingen t.g.v. de opwarming van de aarde niet zozeer de jaarlijkse neerslaghoeveelheden zullen beïnvloeden maar de verdeling van de neerslag (en de droogteperiodes) over de tijd. Gevreesd mag worden dat een toenemende kans op verdroging minstens even ernstig genomen moet worden dan een toenemende frequentie van "overstromingen".
