Het professoraat anno 2016

Juli 2016

De Vlaamse universiteiten doen het uitstekend. De studentenaantallen blijven stijgen, het studieaanbod is ruim en flexibel, de administratie steeds efficiënter. Het aantal doctoraatsstudenten is de laatste 15 jaar verdubbeld (van 5000 in 1999 tot 10 000 in 2014) en het aantal postdoctorale onderzoekers overstijgt vandaag het aantal professoren. Nooit zijn de vrijgemaakte middelen voor onderzoek en innovatie zo hoog geweest. Nooit zijn de publicaties en de internationale samenwerkingsakkoorden zo talrijk geweest.

Onze universiteiten worden met regelmaat doorgelicht en doen het opmerkelijk goed in internationale rankings. Het New Public Management dat een paar decennia geleden ingevoerd werd om universiteiten adequaat te beheren, blijkt dus zijn vruchten af te werpen.

… Of zitten er toch adders onder het groene gras?

Het New Public Management van de universiteiten brengt immers ook onbedoelde, maar ongewenste neveneffecten met zich mee: het gevaar dat de financiële middelen en de concurrentie doel op zichzelf worden, de focus op louter kwantitatieve metingen, het gemis aan aandacht voor de specificiteit van de diverse disciplines, een verstoring van de vertrouwensband tussen leiding en academisch personeel.

Dit Standpunt analyseert een aantal nefaste gevolgen van de nieuwe beleidsvoering aan de universiteit, meer bepaald voor het ambt van hoogleraar. Als de huidige trend doorzet, zullen de professoren onvoldoende tijd en ruimte hebben om zich ten volle en met de nodige autonomie aan hun kerntaken te wijden: nieuwe inzichten, kennis en technieken ontwikkelen en doorgeven aan hun studenten, ten bate van de kennis zelf en van de samenleving in haar geheel.

Dit Standpunt, onderbouwd met Vlaamse en internationale rapporten en studies, bevat zeven aanbevelingen, gericht aan de overheid en aan universitaire besturen. Het hoopt daarmee het maatschappelijk debat te voeden over de toekomst van de Europese universiteiten en van het Professoraat in de 21ste eeuw.

Download het standpunt hier


De chemische weg naar een CO2-neutrale wereld

December 2015

Koolstofdioxide (CO2) ontstaat door verbranding van biomassa en van fossiele brandstoffen. De actueel te hoge CO2-emissie is in essentie een timingprobleem: brandstoffen worden op enorme schaal verbrand waardoor in een fractie van een seconde de koolstofverbindingen terug omgezet worden in CO2 en H2O. Het natuurlijke proces om uit CO2 opnieuw bruikbare stoffen te maken is daarentegen traag tot uiterst traag. Bovendien is de globale uitstoot van CO2 vandaag groter dan wat de natuur kan opvangen. Door de broeikaswerking van CO2 stijgt de temperatuur op aarde. Onze generatie staat voor de verantwoordelijkheid om deze stijging van CO2-concentratie halt toe te roepen. In een CO2-neutrale wereld wordt de uitgestoten CO2 opgevangen vooraleer die in de lucht terechtkomt en gerecycleerd tot nieuwe bruikbare grondstoffen, met speciale aandacht voor brandstoffen zoals aardgas.

De industriële Vlaamse CO2-emissies komen hoofdzakelijk uit een 200-tal schoorstenen van elektriciteitscentrales, raffinaderijen, en industriële ovens. Door chemische technologie kan deze CO2 afgevangen en terug omgezet worden in nuttige verbindingen. Hiervoor is weliswaar veel, soms zeer veel energie nodig, die van alternatieve energiebronnen (die geen CO2 uitstoten) moet komen. Verschillende technologieën worden hiervoor ontwikkeld en kunnen op termijn bijdragen tot de oplossing van de CO2- en klimaatproblematiek.

Download het standpunt hier


De STEM-leerkracht

December 2015

Science, Technology, Engineering en Mathematics: STEM is actueel in Vlaanderen. STEM-academies, het STEM-platform, het STEM-charter … allen streven ze naar een versterking van de wetenschappelijk-technische geletterdheid van de Vlaming. Dit is niet alleen nuttig voor de invulling van knelpuntjobs, maar vooral cruciaal voor een verantwoord burgerschap in onze complexe en technologiegedreven kennismaatschappij.

Met dit Standpunt wenst de Academie bij te dragen tot deze belangrijke ontwikkeling. We gaan dieper in op de essentie van de STEM-componenten (natuurwetenschappen, techniek, engineering en wiskunde) en de rol die ze spelen in onze samenleving. STEM-inzichten kunnen immers een belangrijke bijdrage leveren aan de grote uitdagingen van onze wereld op vlak van energie, gezondheid, urbanisatie, mobiliteit, klimaat, digitalisering … Vanuit deze inherente motivatie formuleren we concrete aanbevelingen voor het leren van STEM.

STEM-leren vindt plaats in zowel het (leerplicht)onderwijs als via informele leercontexten. Leerkrachten uit het secundair onderwijs die instaan voor de STEM-vakken spelen hier een centrale rol. We analyseren de obstakels voor een aantrekkelijk en effectief STEM-onderwijs, zoals bijvoorbeeld het dreigend lerarentekort, en een beperkte voeling van leerkrachten met de onderlinge verwevenheid tussen de vier STEM-componenten. We geven advies over de opwaardering van het lerarenberoep en doen suggesties voor mentoring, levenslang leren en een structurele samenwerking tussen leerkrachten.
De kernboodschap van dit Standpunt is dat de vorming van leerkrachten in de STEM-disciplines van essentieel belang is. Concreet worden aanbevelingen geformuleerd om hiertoe een STEM-expertisecentrum op te richten, en om STEM-lerarenopleidingen te organiseren, zowel een educatieve initiële masteropleiding als een professionele lerarenopleiding.

Meer lezen … — Debat op 18 mei 2016

Download het standpunt hier


Financiële vorming

December 2015

De internationale en nationale belangstelling voor financiële vorming als instrument in de strijd tegen financiële laaggeletterdheid neemt toe. Omdat het begrip ‘financiële vorming’ pas het voorbije decennium tot volle ontwikkeling is gekomen en het dus relatief nieuw is, wordt in deze bijdrage vooraf het theoretische kader ervan geschetst. Daarbij wordt aandacht besteed aan een aantal wezenlijke kenmerken van de financiële vorming en aan het nut en de toenemende maatschappelijke relevantie ervan. Omdat het voor het succes van financiële vorming noodzakelijk is een zo volledig mogelijk beeld te verwerven van de graad van financiële geletterdheid wordt in dit essay ook ingegaan op de wijze waarop die geletterdheid wordt gemeten.

De Belgische financiële toezichthouder, de FSMA (Financial Services and Markets Authority of ‘Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten’), oefent sinds 1 april 2011 een belangrijke taak uit op het vlak van het stimuleren en coördineren van de financiële vorming.
Het theoretische kader en de praktische invulling ervan door de FSMA vormen de basis voor tien aanbevelingen met aandachts- en standpunten voor en over de verdere ontwikkeling van de financiële vorming. Aan deze laatste moet behalve een economisch beschermend ook een maatschappelijk opvoedend streefdoel ten grondslag liggen. Er dient meer specifieke aandacht uit te gaan naar het bijbrengen van financiële vaardigheden in het onderwijs en het ontwikkelen van het kritische vermogen van jongeren in financiële aangelegenheden. Het integreren van financiële vorming in de bestaande onderwijsstructuren vormt een uitdaging op relatief korte termijn.

Maatregelen tegen financiële laaggeletterdheid vergen een daartoe gunstig maatschappelijk klimaat waaraan ook de overheid een bijdrage kan leveren, bijvoorbeeld door sommige van haar fiscale belangen meer af te stemmen op de toenemende inspanningen inzake financiële vorming. Uiteraard moet financiële vorming tevens een permanente zorg uitmaken van de financiële sector. De transparantie van producten en het informeren van het publiek zijn daarbij geenszins de enige aandachtspunten.
Er dient te worden gestreefd naar een uniform en voor vergelijking vatbaar onderzoekskader en naar een doelgroepgerichte financiële vorming. Deze heeft primair een praktijkgericht oogmerk: individuen en huishoudens meer weerbaar te maken bij het nemen van concrete beslissingen met financiële implicaties. Dit neemt niet weg dat financiële vorming in de toekomst steeds frequenter ook het voorwerp zal dienen uit te maken van wetenschappelijk, bij voorkeur interdisciplinair onderzoek.

Download het standpunt hier


Het debat rond de federale culturele en wetenschappelijke instellingen

December 2015

In 2014-2015 kwamen de federale culturele en wetenschappelijke instellingen hoog op de politieke agenda te staan. Niet enkel omdat ze meer dan andere instellingen onderhevig waren aan de zware besparingsronde van de regering-Michel, maar ook omdat ze het onderwerp van communautaire debatten waren en de regering fundamentele hervormingsplannen aankondigde.

In dit essay gaat de auteur de plaats van deze instellingen na in het Belgische federale model. Ze horen thuis in twee categorieën: er zijn drie federale culturele instellingen (Bozar, De Munt, Nationaal Orkest van België) en tien federale wetenschappelijke instellingen, waaronder de Koninklijke Bibliotheek, het Rijksarchief, het Meteorologisch Instituut, het Afrikamuseum, het ‘Jubelpark’ enz. Ze gaat vervolgens in op de reorganisatieplannen die het hoofd van het departement Wetenschapsbeleid en de directeur van de pool Kunst ten uitvoer wilden brengen en die in de politieke wereld en in het veld heel wat kritiek uitlokten. Ze doet dit omdat deze discussies mede aan de basis lagen van de regeringspolitiek, meer bepaald van het beleid van staatssecretaris Sleurs voor Wetenschapsbeleid.

Het stof dat deze plannen in de betrokken sectoren deden opwaaien en de daarbij aansluitende mediadebatten worden vervolgens onderzocht omdat ze interessant zijn voor het oplijsten van de knelpunten. Vanuit deze pijnpunten formuleert de auteur een aantal standpunten waarin ze pleit voor het behoud en vooral voor de verdere ontwikkeling van deze instellingen, die elk in hun domein van het grootste belang zijn en die niet zomaar overgedragen kunnen worden aan een gemeenschap of een gewest. De auteur is wel voorstandster van een hechtere samenwerking van de federale instellingen, de gemeenschappen en de gewesten en, in de mate dat er goed wordt nagedacht over de randvoorwaarden, ook van een grotere mate van zelfstandigheid van de instellingen.

Download het standpunt hier


Hoger onderwijs voor de digitale eeuw

Oktober 2015

Will universities survive the e-learning revolution? De klassieke universiteit ligt op sterven! Vermoord de universiteit niet! De krantenkoppen van het voorbije jaar liegen er niet om. Moeten onze universiteiten en hogescholen de digitale revolutie omhelzen als de sleutel tot een nieuwe toekomst of moeten ze die juist afhouden als een bedreiging voor hun wezen zelf? Hebben ze de boot misschien al gemist?
Dat laatste zeker (nog) niet. De Vlaamse instellingen zijn zeer intensief met e-learning bezig: door wetenschappelijk onderzoek, via een uitgebreide waaier aan pilootexperimenten en door grondige discussie en reflectie. In 2014 hebben zij in het kader van het Denkersprogramma van de KVAB hun visies en ervaringen uitgewisseld met twee gerenommeerde buitenlandse experten (denkers): Diana Laurillard van de University of London en Pierre Dillenbourg van de Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne. Hun ideeën liggen aan de basis van de eigen visie, voorstellen en aanbevelingen die de KVAB-reflectiegroep Blended Learning uitgewerkt heeft in het voorjaar 2015. Deze worden geformuleerd in dit Standpunt. De position papers van de denkers zelf werden gepubliceerd als KVAB Standpunt 33: Higher Education in the digital era. A thinking Exercise in Flanders.

Het lijdt geen twijfel dat de digitalisering ongekende mogelijkheden biedt voor onderwijs en leren, in de breedte zowel als in de diepte. Dankzij de nieuwe mogelijkheden in de breedte kunnen universiteiten en hogescholen onderling cursussen uitwisselen en hun maatschappelijke functie uitbreiden naar nieuwe doelgroepen. Ze kunnen hun internationale dimensie versterken door cursussen aan te bieden en af te nemen in het kader van internationale netwerken (virtuele mobiliteit).
De nieuwe mogelijkheden in de diepte zullen zich niet vanzelf realiseren: niet de technologie op zich zal de onderwijskwaliteit verbeteren, maar wel de doordachte combinaties van traditioneel contactonderwijs (met zijn onschatbare rijkdom aan persoonlijke en sociale contacten en ervaringen) met online learning. Deze combinaties hebben een naam: blended learning.
Om het digitale potentieel optimaal te valoriseren zijn krachtige acties nodig op de verschillende niveaus: dat van de docent en de klas, dat van de instelling en dat van de overheid. Zonder die krachtige acties missen onze universiteiten en hogescholen wellicht deze unieke kans om via de digitale revolutie hun onderwijs grondig te vernieuwen, te verbreden en te verbeteren en op die manier hun maatschappelijke functie op te krikken.

Download het standpunt hier


Higher education in the digital era

Oktober 2015

Should higher education institutions embrace the digital revolution as the key to a new future? Should they resist it as a threat to their very essence, or just ignore it as just another dot com bubble? Did Flemish universities and colleges miss the train already?
The latter certainly not (yet). Flemish institutions are intensively engaged in e-learning: by scientific research, through a wide range of pilot projects (up to the organization of their own MOOCs, the famous Massive Open Online Courses) and by thorough discussion and reflection.

The above was one of the conclusions made by the two Thinkers-in-residence who were invited in 2014 by the KVAB to explore the state of the art in Flemish Higher Education and to confront it with their own vision and experience. Thinkers Pierre Dillenbourg and Diana Laurillard are international top experts in the advanced use of ICT in education.
Both of them has cast his/her conclusions and recommendations into a final position paper, contained in this report. Diana Laurillard lucidly develops her thinking about blended learning in Flanders: blended learning requires thoughtful learning design in order to improve the learning of the student as well as the cost effectiveness of higher education. Pierre Dillenbourg firmly proposes a digital strategy for Flanders universities in order to strengthen and broaden their societal function by the optimal integration of digital technology.

Download het standpunt hier


Talige diversiteit in het Vlaamse onderwijs

Oktober 2015

Scholen met een groot aantal leerlingen die het Nederlands niet als thuistaal hebben, zijn geen uitzondering meer. Meertalige instroom van leerlingen in de school is een feit. De vraag rijst of deze nieuwe situatie ook een probleem vormt en zo ja, wat de oplossing is. De auteurs van dit standpunt argumenteren voor een meer genuanceerde visie in het publiek debat, dat gekenmerkt wordt door polarisering. Zo wordt vrij algemeen aanvaard dat de moeilijkheden die leerlingen met een migratie-achtergrond op school hebben in de eerste plaats te wijten zijn aan hun gebrekkige kennis van de schooltaal. Bijkomend wordt dan gesteld dat dit probleem enkel kan worden opgelost door een strikt eentalig beleid binnen de klas en school. De auteurs stellen zowel de oorzaak als de gezochte oplossing voor dit probleem in vraag. Dat is noodzakelijk, niet alleen omdat kan worden vastgesteld dat de aanpak niet de verwachte vruchten afwerpt, maar ook omdat de uitgangspunten niet wetenschappelijk zijn onderbouwd. De auteurs pleiten dan ook voor een onderwijspolitiek die stoelt op een meer realistische en op empirie gebaseerde analyse en een meer humane aanpak. Een dergelijke politiek plaatst anderstaligheid als 'probleem' in het juiste perspectief, en houdt rekening met andere factoren zoals sociaaleconomische achtergrond en schoolattitudes, die een grotere rol spelen dan in het klassieke debat wordt erkend. Anders- en meertaligheid worden in dit standpunt op een positieve manier benaderd, als een meerwaarde die wordt meegenomen in een zinvolle aanpak van het onderwijs.

Download het standpunt hier


Energiezuinig (ver)bouwen

Oktober 2015

Energie is sinds de energiecrisissen van de jaren 1970 een uitdaging geworden. Daarbij gaat het zowel over welke bronnen te gebruiken als over hoe het verbruik wereldwijd te drukken. De fossiele dragers en zeker kolen en olie, hoewel zeer energierijk en naar opslag geen probleem, produceren bij verbranding zoveel CO2, dat ze wereldwijd sterk bijdragen aan een voortschrijdende globale opwarming. Vandaar dat duurzame productie volop in de kijker staat, zij het dat onnodig verbruik vermijden nog steeds het meest efficiënt blijkt te zijn.

Gebouwgebruik staat in voor 40 % van het jaarlijkse landelijke energie-eindverbruik. Dit kan door anders te bouwen behoorlijk lager, zonder de leef- en bruikbaarheid aan te tasten. Binnen de EU is energiezuinigheid in de gebouwde omgeving dan ook een belangrijke doelstelling geworden, wat zich in Vlaanderen vanaf 2006 vertaald heeft in de energieprestatieregelgeving met het E-Peil als referentiegrootheid en een rekenmodel waarbij gebouwen op constante temperatuur ondersteld worden. Was bij aanvang de eis E100, vanaf 2010 werd die stapsgewijs strenger tot E50 sinds 2016 en E30 vanaf 2021. Blijkt nu dat in woongebouwen het bewonersgedrag sterk afwijkt van dit integraal op constante temperatuur-model. Daardoor wordt de besparing, die dit verstrengen beoogt, behoorlijk overschat. Daarnaast is sinds 2012 verplicht dat een deel van de verbruikte primaire energie uit duurzame bronnen moet komen. Velen opteren daarbij voor dakgekoppelde PV (fotovoltaïsche zonnecellen). Onderzoek toont nu aan dat de opbrengst aan elektriciteit, als alle woningen in een wijk precies voldoende PV zouden krijgen als nodig om in theorie op jaarbasis hun primaire verbruik integraal te compenseren, door problemen met een te zwak verdeelnet behoorlijk kan tegenvallen.

Download het standpunt hier


Metamorfoses van het Europese historisch besef, 1800-2000

Maart 2015

Al lang wordt erover geklaagd dat het historisch besef taant: de onverschilligheid ten aanzien van de geschiedenis zou groeien, het verleden zou daardoor niet langer (nationale en andere) identiteiten kunnen aanreiken, historische lessen zouden worden vergeten. Het historisch besef kan inderdaad van intensiteit veranderen: er kan meer of minder historisch besef zijn. Maar wezenlijker is dat het ook van karakter kan veranderen. De voorbije twee eeuwen is er inderdaad sprake geweest van een wisselend past relationship.

In dit Standpunt wordt deze geschiedenis gereconstrueerd. Het vertrekpunt is het moderne historisch besef, ontstaan na de breuk van de Franse Revolutie en na de romantische hantises. Het hield een sterk verlangen naar een innige verbondenheid met het verleden in, een verlangen dat later kon worden geradicaliseerd in een streven de samenleving te retraditionaliseren. In de context van de maatschappijkritische projecten van de jaren 1960 en 1970 ontstond daarentegen een historisch besef dat zich vooral liet begrijpen als een jacht op een ‘verkeerd verleden’. Het historisch reveil, dat zich in de decennia daarna in musea, reenactment societies of heritage crusades openbaarde, kon de kloof tussen heden en verleden niet dichten: in het postmoderne historisch besef bleef het verleden een vreemd verleden.

Wat kan in deze context nog de maatschappelijke taak van de historicus zijn, nu er niet langer sprake is van een vanzelfsprekende band tussen heden en verleden? De historicus, zo luidt het in dit essay, moet trachten de historische geletterdheid van zijn lezers te versterken, hen een gevoeligheid trachten bij te brengen voor de eigenaardigheid van de voorbije denk- en levensvormen. Niet innige verbondenheid, maar afstandelijkheid staat daarbij centraal, en het besef dat geschiedenis bovenal verandering is. Dat heeft ook consequenties voor het geschiedenisonderwijs. Dat is geen instrument om actuele politieke of maatschappelijke problemen op te lossen, maar een confrontatie met werelden die bovenal van de onze verschillen.

Download het standpunt hier


1 / 6